terug naar Sjaak Langenberg gebruiksaanwijzing

‘De bewoners van eenzelfde pand wonen op een paar centimeter van elkaar, ze worden door een simpele wand van elkaar gescheiden, ze delen dezelfde ruimtes die zich op alle verdiepingen herhalen, ze maken tegelijkertijd dezelfde bewegingen, de kraan opendraaien, de wc doortrekken, het licht aandoen, de tafel dekken, enige tientallen gelijktijdige levens die zich van etage tot etage, van pand tot pand en van straat tot straat herhalen. Ze verschansen zich in hun eigendommelijke ruimtes – want zo heet dat nu eenmaal – en ze zouden willen dat er niets naar buiten trad, maar het weinige dat ze eruit laten komen, de hond aan de lijn, het kind dat brood gaat halen, iemand die weggebracht of weggestuurd wordt, verdwijnt via de trap. Want alles wat er geschiedt, geschiedt via de trap, alles wat arriveert, arriveert via de trap, de brieven, de kennisgevingen, de meubels die de verhuizers brengen of meenemen, de arts die voor noodgevallen geroepen is, de reiziger die van een lange reis thuis komt. Daarom blijft de trap een anonieme, kille, bijna vijandige plek. In oude huizen had je nog stenen treden, smeedijzeren leuningen, beeldhouwwerk, wandluchters en soms een bankje waarop oude mensen tussen etages door konden uitrusten. In moderne flatgebouwen heb je liften met wanden die met obsceen bedoelde graffiti bedekt zijn, en zogeheten ‘brandtrappen’ van ruw beton, vies en galmend. In dit pand, waarin een oude lift zit die bijna altijd kapot is, is de trap een ouderwetse, niet al te schone plek die van verdieping tot verdieping volgens de conventies van de burgerlijke achtenswaardigheid steeds verder achteruitgaat: twee tapijtdikten tot de derde, daarna één en helaas niets meer voor de twee zolderverdiepingen.’
Uit: Het leven een gebruiksaanwijzing, Georges Perec, 1995, Arbeiderspers